landen
werkwoord, zelfstandig naamwoordBetekenis
- vanuit de zee, de lucht of de ruimte voet op vaste bodem zetten
- ergens aankomen en tot stilstand komen
werkwoord
- hoe bepaalde zaken, uitspraken door mensen worden ontvangen of beroordeeld
Vervoeging van landen
landenhele werkwoord — landdeverleden tijd enkelvoud — landdenverleden tijd meervoud — gelandvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | land | landde |
| jij | landt | landde |
| hij, zij, het | landt | landde |
| wij | landen | landden |
| jullie | landen | landden |
| zij | landen | landden |
Alle 56 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| ben geland | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| bent geland | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| ev. | gebiedende wijs |
| geland | verleden tijd, deelwoord |
| geland te zullen zijn | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| geland zullen zijn | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| is geland | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| is geland | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| land | gebiedende wijs |
| landde | verleden tijd |
| lande | aanvoegende wijs |
| landend | onvoltooid, deelwoord |
| te landen | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zijn geland | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen landen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| waart geland | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren geland | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| waren geland | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren geland | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| was geland | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| was geland | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| was geland | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| zal geland zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal geland zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal geland zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal landen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal landen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal landen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zijn geland | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| zijn geland | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| zijn geland | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zijn geland | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| zijt geland | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zou geland zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou geland zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou geland zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou landen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou landen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou landen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zouden geland zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden geland zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden geland zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden landen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden landen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden landen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zoudt geland zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt landen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zullen geland zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen geland zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen geland zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen landen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen landen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen landen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen landen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zult geland zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult landen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
Woordvorm
- meervoud van het zelfstandig naamwoord land
Woordvorm
- meervoud verleden tijd van lannen
Vervoeging van landen
landenhele werkwoord
Herkomst
In de betekenis van ‘aan land zetten of komen’ voor het eerst aangetroffen in 1450
Woordfamilie van landen
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| landde | verleden tijd | landen |
| landden | aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | landen |
| landend | onvoltooid deelwoord | landen |
| landende | woordvorm | landen |
| landt | aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | landen |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van landen zijn vastgelegd.