landjuweel
zelfstandig naamwoord ˈlɑntjyˌwelBetekenis
- groot feest van de rederijkers waar de kamers van een land voor werden uitgenodigd waarvan de laatste in 1562 plaatsvond
- (België) jaarlijkse toneelwedstrijd voor amateurgezelschappen
- de eerste prijs bij een landjuweel
Hoe spreek je landjuweel uit?
/ˈlɑntjyˌwel/
Landjuweel bestaat uit drie lettergrepen. De klemtoon ligt op de eerste.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| l | land |
| ɑ | bad |
| n | nek |
| t | tak |
| j | ja |
| y | fuut |
| w | quiz |
| e | veel |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
| ˌ | een lichtere nadruk, zwakker dan de hoofdklemtoon |
zelfstandig naamwoord — neuter
- jaarlijkse toneelwedstrijd voor amateurgezelschappen
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| landjuwelen | meervoud |
Herkomst
In de betekenis van ‘wedstrijd van rederijkerskamers’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1618
Woordfamilie van landjuweel
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| landjuwelen | meervoud | landjuweel |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van landjuweel zijn vastgelegd.