homopaar
zelfstandig naamwoord ˈhomoˌparBetekenis
- twee personen van hetzelfde geslacht die een liefdesrelatie met elkaar hebben
Hoe spreek je homopaar uit?
/ˈhomoˌpar/
Homopaar bestaat uit drie lettergrepen. De klemtoon ligt op de eerste.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| h | hoed |
| o | boot |
| m | maan |
| p | pak |
| a | maan |
| r | rood |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
| ˌ | een lichtere nadruk, zwakker dan de hoofdklemtoon |
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| homoparen | meervoud |
Herkomst
samenstelling van homo zn en paar zn
Woordfamilie van homopaar
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| homoparen | meervoud | homopaar |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van homopaar zijn vastgelegd.