cursusjaar
zelfstandig naamwoord ˈkʏrzʏsˌjarBetekenis
- periode van 12 maanden waarbinnen een instelling verschillende reeksen lessen aanbiedt
- periode van 12 maanden waarbinnen een samenhangende reeks lessen als deel van een langere opleiding kan worden gevolgd
Hoe spreek je cursusjaar uit?
/ˈkʏrzʏsˌjar/
Cursusjaar bestaat uit drie lettergrepen. De klemtoon ligt op de eerste.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| k | kat |
| ʏ | put |
| r | rood |
| z | zon |
| s | sok |
| j | ja |
| a | maan |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
| ˌ | een lichtere nadruk, zwakker dan de hoofdklemtoon |
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| cursusjaren | meervoud |
Herkomst
samenstelling van cursus zn en jaar zn
Woordfamilie van cursusjaar
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| cursusjaren | meervoud | cursusjaar |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van cursusjaar zijn vastgelegd.