vuur
zelfstandig naamwoord, werkwoord /vyːr/Betekenis
- het geheel van de licht- en warmteverschijnselen die zich voordoen wanneer iets verbranden|verbrandt, d.w.z. een oxidatiereactie ondergaat
- beschieting met vuurwapens
- enthousiasme, bezieldheid, hartstocht, passie
Hoe spreek je vuur uit?
/vyr/
Vuur bestaat uit één lettergreep.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| v | vis |
| y | fuut |
| r | rood |
zelfstandig naamwoord — neuter
- het geheel van de licht- en warmteverschijnselen die zich voordoen wanneer iets verbrandt, d.w.z. een oxidatiereactie ondergaat
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| vuren | meervoud |
| vuurtje | verkleinwoord, enkelvoud |
| vuurtjes | verkleinwoord, meervoud |
Woordvorm
- eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van vuren
- gebiedende wijs van vuren
- tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van vuren
Vervoeging van vuur
vuurhele werkwoord
Herkomst
In de betekenis van ‘lichtverschijnsel bij brand’ voor het eerst aangetroffen in 901.
Woordfamilie van vuur
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| vuurtje | verkleinwoord | vuur |
| vuurtjes | verkleinwoord meervoud | vuur |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van vuur zijn vastgelegd.