branden
werkwoord, zelfstandig naamwoordBetekenis
- verteerd worden door vuur
- langzaam aan vuur blootstellen (van cacao- en koffiebonen, noten, e.d.)
- als brandstof gebruiken
- verwonding door hoge temperatuur
- aan zijn (van wat in het verleden gepaard ging met vuur)
- een nieuwe CD of DVD maken
werkwoord
- aan zijn van een licht (van wat in het verleden gepaard ging met vuur)
- heel warm aanvoelen
- heel urgent aanvoelen
Vervoeging van branden
brandenhele werkwoord — branddeverleden tijd enkelvoud — branddenverleden tijd meervoud — gebrandvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | brand | brandde |
| jij | brandt | brandde |
| hij, zij, het | brandt | brandde |
| wij | branden | brandden |
| jullie | branden | brandden |
| zij | branden | brandden |
Alle 126 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| - | impersonal, passief |
| ben gebrand | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| bent gebrand | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| brand | gebiedende wijs |
| brandde | verleden tijd |
| brande | aanvoegende wijs |
| brandend | onvoltooid, deelwoord |
| er is gebrand | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid |
| er was gebrand | impersonal, passief, verleden tijd, voltooid |
| er werd gebrand | impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid |
| er wordt gebrand | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid |
| er zal gebrand worden | impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid |
| er zal gebrand zijn | impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid |
| er zou gebrand worden | impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid |
| er zou gebrand zijn | impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid |
| ev. | gebiedende wijs |
| gebrand | verleden tijd, deelwoord |
| gebrand te worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| gebrand te zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| gebrand te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| gebrand te zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| gebrand te zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| gebrand worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| gebrand zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| gebrand zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| gebrand zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| gebrand zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| had gebrand | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had gebrand | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had gebrand | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden gebrand | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden gebrand | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden gebrand | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt gebrand | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb gebrand | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben gebrand | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben gebrand | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben gebrand | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben gebrand | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt gebrand | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft gebrand | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft gebrand | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| is gebrand | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| is gebrand | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| te branden | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te hebben gebrand | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen branden | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| waart gebrand | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren gebrand | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| waren gebrand | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren gebrand | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| was gebrand | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| was gebrand | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| was gebrand | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werd gebrand | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| werd gebrand | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon |
| werd gebrand | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| werden gebrand | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, eerste persoon |
| werden gebrand | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, tweede persoon |
| werden gebrand | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werdt gebrand | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| word gebrand | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| worden gebrand | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, eerste persoon |
| worden gebrand | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, tweede persoon |
| worden gebrand | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| wordt gebrand | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon |
| wordt gebrand | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zal branden | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal branden | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal branden | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zal gebrand hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal gebrand hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal gebrand hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal gebrand worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal gebrand worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zal gebrand zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal gebrand zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zijn gebrand | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| zijn gebrand | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zijn gebrand | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| zijt gebrand | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zou branden | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou branden | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou branden | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zou gebrand hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou gebrand hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou gebrand hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou gebrand worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou gebrand worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zou gebrand worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou gebrand zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou gebrand zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou gebrand zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden branden | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden branden | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden branden | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zouden gebrand hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden gebrand hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden gebrand hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden gebrand worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden gebrand worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden gebrand worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden gebrand zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden gebrand zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden gebrand zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zoudt branden | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zoudt gebrand hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt gebrand worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt gebrand zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zullen branden | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen branden | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen branden | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen branden | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zullen gebrand hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen gebrand hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen gebrand hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen gebrand worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen gebrand worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen gebrand worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen gebrand zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen gebrand zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen gebrand zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zult branden | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zult gebrand hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult gebrand worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult gebrand zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
zelfstandig naamwoord
- een klasse Ustilaginomycetes binnen het rijk van de schimmels (Fungi), behorend tot de stam van Basidiomycota. Alle soorten parasiteren op planten die tot de bedektzadigen behoren. Bepaalde typen branden zijn van grote economische waarde. Branden vormen enorme hoeveelheden teleutosporen, die vaak zwart en stofachtig zijn. De Ustilaginomycetes zijn dimorf, afwisselend gistachtig en myceliumvormend
Woordvorm
- meervoud van het zelfstandig naamwoord brand
Herkomst
In de betekenis van ‘in vuur en vlam staan’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1445
Woordfamilie van branden
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| brandde | verleden tijd | branden |
| brandden | aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | branden |
| brande | aanvoegende wijs | branden |
| brandt | aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | branden |
| gebrand | voltooid deelwoord | branden |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van branden zijn vastgelegd.