Naar de inhoud

branden

verteerd worden door vuur

branden is meer dan één woord

branden

werkwoord, zelfstandig naamwoord

Betekenis

  1. verteerd worden door vuur
  2. langzaam aan vuur blootstellen (van cacao- en koffiebonen, noten, e.d.)
  3. als brandstof gebruiken
  4. verwonding door hoge temperatuur
  5. aan zijn (van wat in het verleden gepaard ging met vuur)
  6. een nieuwe CD of DVD maken

werkwoord

  1. aan zijn van een licht (van wat in het verleden gepaard ging met vuur)
  2. heel warm aanvoelen
  3. heel urgent aanvoelen

Vervoeging van branden

brandenhele werkwoord — branddeverleden tijd enkelvoud — branddenverleden tijd meervoud — gebrandvoltooid deelwoord

Persoon Tegenwoordige tijd Verleden tijd
ik brand brandde
jij brandt brandde
hij, zij, het brandt brandde
wij branden brandden
jullie branden brandden
zij branden brandden
Alle 126 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
Vorm Grammaticale informatie
- impersonal, passief
ben gebrand voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
bent gebrand voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
brand gebiedende wijs
brandde verleden tijd
brande aanvoegende wijs
brandend onvoltooid, deelwoord
er is gebrand impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid
er was gebrand impersonal, passief, verleden tijd, voltooid
er werd gebrand impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid
er wordt gebrand impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid
er zal gebrand worden impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid
er zal gebrand zijn impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid
er zou gebrand worden impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid
er zou gebrand zijn impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid
ev. gebiedende wijs
gebrand verleden tijd, deelwoord
gebrand te worden infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
gebrand te zijn infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
gebrand te zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
gebrand te zullen worden infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
gebrand te zullen zijn infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
gebrand worden infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
gebrand zijn infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
gebrand zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
gebrand zullen worden infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
gebrand zullen zijn infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
had gebrand voltooid, verleden tijd, eerste persoon
had gebrand voltooid, verleden tijd, tweede persoon
had gebrand voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadden gebrand voltooid, verleden tijd, eerste persoon
hadden gebrand voltooid, verleden tijd, tweede persoon
hadden gebrand voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadt gebrand voltooid, verleden tijd, tweede persoon
heb gebrand voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben gebrand actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
hebben gebrand voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben gebrand voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
hebben gebrand voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
hebt gebrand voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft gebrand voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft gebrand voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
is gebrand voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
is gebrand voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
te branden actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te hebben gebrand actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te zullen branden actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
waart gebrand voltooid, verleden tijd, tweede persoon
waren gebrand voltooid, verleden tijd, eerste persoon
waren gebrand voltooid, verleden tijd, tweede persoon
waren gebrand voltooid, verleden tijd, derde persoon
was gebrand voltooid, verleden tijd, eerste persoon
was gebrand voltooid, verleden tijd, tweede persoon
was gebrand voltooid, verleden tijd, derde persoon
werd gebrand enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, eerste persoon
werd gebrand enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon
werd gebrand enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon
werden gebrand enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, eerste persoon
werden gebrand enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, tweede persoon
werden gebrand enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon
werdt gebrand enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon
word gebrand enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
worden gebrand enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, eerste persoon
worden gebrand enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, tweede persoon
worden gebrand enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
wordt gebrand enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon
wordt gebrand enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zal branden aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon
zal branden aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zal branden aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon
zal gebrand hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal gebrand hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zal gebrand hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zal gebrand worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal gebrand worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zal gebrand zijn voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal gebrand zijn voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zijn gebrand voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
zijn gebrand voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zijn gebrand voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
zijt gebrand voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zou branden aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon
zou branden aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zou branden aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon
zou gebrand hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou gebrand hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou gebrand hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zou gebrand worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou gebrand worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zou gebrand worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou gebrand zijn voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou gebrand zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou gebrand zijn voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden branden aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden branden aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden branden aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zouden gebrand hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden gebrand hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden gebrand hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden gebrand worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden gebrand worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden gebrand worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden gebrand zijn voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden gebrand zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden gebrand zijn voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zoudt branden aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zoudt gebrand hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt gebrand worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt gebrand zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zullen branden actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
zullen branden aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon
zullen branden aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon
zullen branden aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zullen gebrand hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zullen gebrand hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zullen gebrand hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen gebrand worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon
zullen gebrand worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon
zullen gebrand worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen gebrand zijn voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zullen gebrand zijn voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zullen gebrand zijn voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zult branden aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zult gebrand hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zult gebrand worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zult gebrand zijn voltooid, toekomende tijd, tweede persoon

zelfstandig naamwoord

  1. een klasse Ustilaginomycetes binnen het rijk van de schimmels (Fungi), behorend tot de stam van Basidiomycota. Alle soorten parasiteren op planten die tot de bedektzadigen behoren. Bepaalde typen branden zijn van grote economische waarde. Branden vormen enorme hoeveelheden teleutosporen, die vaak zwart en stofachtig zijn. De Ustilaginomycetes zijn dimorf, afwisselend gistachtig en myceliumvormend

Woordvorm

  • meervoud van het zelfstandig naamwoord brand

Herkomst

In de betekenis van ‘in vuur en vlam staan’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1445

Woordfamilie van branden

Woordvorm Relatie Afgeleid van
brandde verleden tijd branden
brandden aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon branden
brande aanvoegende wijs branden
brandt aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon branden
gebrand voltooid deelwoord branden

Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van branden zijn vastgelegd.

Veelgestelde vragen over branden

Wat betekent branden?
Branden is een werkwoord. Het woord betekent: verteerd worden door vuur. Deze pagina beschrijft 10 betekenissen op deze pagina.
Hoe vervoeg je branden?
Je vervoegt branden als volgt: de tegenwoordige tijd is brand, de verleden tijd is brandde en het voltooid deelwoord is gebrand. De volledige vervoeging staat in de tabel op deze pagina.

Spellen

Scrabble punten

Naar spel

Het woord branden is 11 punten waard met Scrabble, zonder bonusvakjes meegerekend.

  1. B 3
  2. R 2
  3. A 1
  4. N 1
  5. D 2
  6. E 1
  7. N 1
  8. 11 totaal

Wordfeud punten

Naar spel

branden levert met Wordfeud minimaal 12 en maximaal 100 punten op. Wat het precies wordt, hangt af van de bonusvakjes waarop het woord komt te liggen.

  1. B 4
  2. R 2
  3. A 1
  4. N 1
  5. D 2
  6. E 1
  7. N 1
  8. 12 zonder bonus
  9. 100 met bonus

Het minimum is de som van de stenen, zonder bonusvakje. Het maximum telt de duurste letter (B) op een drieletterbonus mee en het hele woord op een driewoordbonus, plus 40 punten omdat alle zeven stenen van het rek gebruikt worden.

branden telt 7 letters, waarvan 6 verschillende, want één letter komt er dubbel in voor. Hoe meer verschillende letters een gok heeft, hoe meer woorden hij wegstreept.

Dit woordenboek kent 21.717 woorden van 7 letters. Dat is het speelveld waar een Woordle van deze lengte uit put.

Met de Woordle helper vul je de kleuren van je pogingen in en zie je welke woorden nog passen.

branden in het kort

branden is zowel werkwoord als zelfstandig naamwoord. Welke van de twee het is, hangt af van de zin. Hierboven staan 10 omschrijvingen, elk met de woordsoort waar hij bij hoort. Van branden zijn 75 vormen vastgelegd; die staan in de tabel op deze pagina. Verder hoort branden bij een woordfamilie van 5 woorden, gebaseerd op vastgelegde woordvormrelaties.

branden: verteerd worden door vuur
Deel branden — standaardnederlands.nl