bras
zelfstandig naamwoord, werkwoordBetekenis
- een lijn verbonden aan het uiteinde van een ra met als doel de ra ten opzichte van de wind te kunnen draaien
- ongekookte gepelde rijst (geen vervoegingen)
- arm
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| brasje | verkleinwoord, enkelvoud |
| brasjes | verkleinwoord, meervoud |
| brassen | meervoud |
Woordvorm
- eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van brassen
- gebiedende wijs van brassen
- tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van brassen
Vervoeging van bras
brashele werkwoord
Herkomst
Leenwoord uit het Frans, in de betekenis van ‘schoot van een ra’ voor het eerst aangetroffen in 1598
Woordfamilie van bras
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| brasje | verkleinwoord | bras |
| brasjes | verkleinwoord meervoud | bras |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van bras zijn vastgelegd.