stranden
werkwoord, zelfstandig naamwoord ˈstrɑndə(n)Betekenis
- aan de grond vastlopen
- niet meer verder kunnen
Hoe spreek je stranden uit?
/ˈstrɑndən/
Stranden bestaat uit twee lettergrepen. De klemtoon ligt op de eerste.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| s | sok |
| t | tak |
| r | rood |
| ɑ | bad |
| n | nek |
| d | dak |
| ə | de |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
Vervoeging van stranden
strandenhele werkwoord — stranddeverleden tijd enkelvoud — stranddenverleden tijd meervoud — gestrandvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | strand | strandde |
| jij | strandt | strandde |
| hij, zij, het | strandt | strandde |
| wij | stranden | strandden |
| jullie | stranden | strandden |
| zij | stranden | strandden |
Alle 56 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| ben gestrand | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| bent gestrand | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| ev. | gebiedende wijs |
| gestrand | verleden tijd, deelwoord |
| gestrand te zullen zijn | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| gestrand zullen zijn | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| is gestrand | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| is gestrand | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| strand | gebiedende wijs |
| strandde | verleden tijd |
| strande | aanvoegende wijs |
| strandend | onvoltooid, deelwoord |
| te stranden | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zijn gestrand | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen stranden | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| waart gestrand | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren gestrand | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| waren gestrand | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren gestrand | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| was gestrand | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| was gestrand | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| was gestrand | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| zal gestrand zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal gestrand zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal gestrand zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal stranden | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal stranden | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal stranden | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zijn gestrand | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| zijn gestrand | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| zijn gestrand | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zijn gestrand | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| zijt gestrand | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zou gestrand zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou gestrand zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou gestrand zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou stranden | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou stranden | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou stranden | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zouden gestrand zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden gestrand zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden gestrand zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden stranden | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden stranden | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden stranden | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zoudt gestrand zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt stranden | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zullen gestrand zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen gestrand zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen gestrand zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen stranden | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen stranden | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen stranden | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen stranden | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zult gestrand zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult stranden | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
Woordvorm
- meervoud van het zelfstandig naamwoord strand
Woordfamilie van stranden
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| gestrand | voltooid deelwoord | stranden |
| strandde | verleden tijd | stranden |
| strandden | aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | stranden |
| strande | aanvoegende wijs | stranden |
| strandend | onvoltooid deelwoord | stranden |
| strandende | woordvorm | stranden |
| strandt | aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | stranden |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van stranden zijn vastgelegd.