maken
werkwoord /ˈmaːkən/Betekenis
- in elkaar zetten
- ervoor zorgen dat iets weer werkt
- optellen tot een bepaald bedrag
- voortbrengen, tot stand brengen, in een toestand brengen
Hoe spreek je maken uit?
/ˈmakən/
Maken bestaat uit twee lettergrepen. De klemtoon ligt op de eerste.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| m | maan |
| a | maan |
| k | kat |
| ə | de |
| n | nek |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
Vervoeging van maken
makenhele werkwoord — maakteverleden tijd enkelvoud — maaktenverleden tijd meervoud — gemaaktvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | maak | maakte |
| jij | maakt | maakte |
| hij, zij, het | maakt | maakte |
| wij | maken | maakten |
| jullie | maken | maakten |
| zij | maken | maakten |
Alle 126 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| - | impersonal, passief |
| ben gemaakt | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| bent gemaakt | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| er is gemaakt | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid |
| er was gemaakt | impersonal, passief, verleden tijd, voltooid |
| er werd gemaakt | impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid |
| er wordt gemaakt | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid |
| er zal gemaakt worden | impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid |
| er zal gemaakt zijn | impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid |
| er zou gemaakt worden | impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid |
| er zou gemaakt zijn | impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid |
| ev. | gebiedende wijs |
| gemaakt | verleden tijd, deelwoord |
| gemaakt te worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| gemaakt te zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| gemaakt te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| gemaakt te zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| gemaakt te zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| gemaakt worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| gemaakt zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| gemaakt zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| gemaakt zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| gemaakt zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| had gemaakt | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had gemaakt | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had gemaakt | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden gemaakt | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden gemaakt | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden gemaakt | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt gemaakt | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb gemaakt | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben gemaakt | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben gemaakt | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben gemaakt | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben gemaakt | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt gemaakt | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft gemaakt | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft gemaakt | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| is gemaakt | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| is gemaakt | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| maak | gebiedende wijs |
| maakte | verleden tijd |
| make | aanvoegende wijs |
| makend | onvoltooid, deelwoord |
| te hebben gemaakt | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te maken | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen maken | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| waart gemaakt | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren gemaakt | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| waren gemaakt | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren gemaakt | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| was gemaakt | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| was gemaakt | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| was gemaakt | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werd gemaakt | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| werd gemaakt | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon |
| werd gemaakt | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| werden gemaakt | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, eerste persoon |
| werden gemaakt | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, tweede persoon |
| werden gemaakt | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werdt gemaakt | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| word gemaakt | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| worden gemaakt | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, eerste persoon |
| worden gemaakt | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, tweede persoon |
| worden gemaakt | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| wordt gemaakt | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon |
| wordt gemaakt | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zal gemaakt hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal gemaakt hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal gemaakt hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal gemaakt worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal gemaakt worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zal gemaakt zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal gemaakt zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal maken | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal maken | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal maken | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zijn gemaakt | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| zijn gemaakt | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zijn gemaakt | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| zijt gemaakt | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zou gemaakt hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou gemaakt hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou gemaakt hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou gemaakt worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou gemaakt worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zou gemaakt worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou gemaakt zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou gemaakt zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou gemaakt zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou maken | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou maken | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou maken | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zouden gemaakt hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden gemaakt hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden gemaakt hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden gemaakt worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden gemaakt worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden gemaakt worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden gemaakt zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden gemaakt zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden gemaakt zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden maken | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden maken | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden maken | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zoudt gemaakt hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt gemaakt worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt gemaakt zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt maken | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zullen gemaakt hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen gemaakt hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen gemaakt hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen gemaakt worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen gemaakt worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen gemaakt worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen gemaakt zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen gemaakt zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen gemaakt zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen maken | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen maken | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen maken | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen maken | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zult gemaakt hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult gemaakt worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult gemaakt zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult maken | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
Herkomst
erfwoord, in de betekenis van ‘iets in een bepaalde toestand brengen’ aangetroffen vanaf jaar 901
Woordfamilie van maken
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| maakt | aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | maken |
| maakte | verleden tijd | maken |
| maakten | aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | maken |
| make | aanvoegende wijs | maken |
| makend | onvoltooid deelwoord | maken |
| makende | woordvorm | maken |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van maken zijn vastgelegd.