apparatuur
zelfstandig naamwoord ˌɑparaˈtyrBetekenis
- het geheel aan toestellen en toebehoor dat men voor een bepaalde taak benodigt.
Hoe spreek je apparatuur uit?
/ˌɑparaˈtyr/
Apparatuur bestaat uit vier lettergrepen. De klemtoon ligt op de vierde.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| ɑ | bad |
| p | pak |
| a | maan |
| r | rood |
| t | tak |
| y | fuut |
| ˌ | een lichtere nadruk, zwakker dan de hoofdklemtoon |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
zelfstandig naamwoord
- geheel aan toestellen en toebehoren dat men voor een bepaalde taak benodigt
Herkomst
van Duits Apparatur, in de betekenis van ‘samenstel van apparaten’ voor het eerst aangetroffen in 1933