zuur
zelfstandig naamwoord, bijvoeglijk naamwoord, werkwoord /zyːr/Betekenis
- vloeistof, die een verhoogde concentratie waterstofionen bevat
- een chemische stof die in water opgelost in staat is waterstofionen af te splitsen: arrheniuszuur
- een molecuul of ion dat in staat is waterstofionen af te splitsen: brønstedzuur
- een molecuul of ion dat in staat is een elektronpaar te accepteren: lewiszuur
- het ~ hebben: aan pyrosis lijden
- felsisch (verouderd)
- onprettige gewaarwording; naar; vervelend; nadelig
- negatieve stemming door eerdere teleurstelling
- een smaak hebbend zoals citroensap of azijn
- onprettig
- door teleurstelling merkbaar negatief gestemd
Hoe spreek je zuur uit?
/zyr/
Zuur bestaat uit één lettergreep.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| z | zon |
| y | fuut |
| r | rood |
zelfstandig naamwoord — neuter
- onprettige gewaarwording figuratively
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| zuren | meervoud |
| zuurtje | verkleinwoord, enkelvoud |
| zuurtjes | verkleinwoord, meervoud |
bijvoeglijk naamwoord
- een smaak hebbend zoals van citroensap of azijn
- onaangenaam, onprettig, naar, vervelend figuratively
- merkbaar negatief gestemd, bijv. als gevolg van een eerdere teleurstelling figuratively
Woordvorm
- eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van zuren
- gebiedende wijs van zuren
- tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van zuren
Vervoeging van zuur
zuurhele werkwoord
Herkomst
In de betekenis van ‘wrang’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1130
Woordfamilie van zuur
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| zuurder | woordvorm | zuur |
| zuurdere | woordvorm | zuur |
| zuurders | woordvorm | zuur |
| zuurs | woordvorm | zuur |
| zuurst | woordvorm | zuur |
| zuurste | woordvorm | zuur |
| zuurtjes | verkleinwoord meervoud | zuur |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van zuur zijn vastgelegd.