montuur
zelfstandig naamwoord mɔnˈtyrBetekenis
- de houder waarin bijv. edelstenen e.d. worden gevat
- de houder waarin brillenglazen zijn gevat
Hoe spreek je montuur uit?
/mɔnˈtyr/
Montuur bestaat uit twee lettergrepen. De klemtoon ligt op de tweede.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| m | maan |
| ɔ | bot |
| n | nek |
| t | tak |
| y | fuut |
| r | rood |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| monturen | meervoud |
| montuurtje | verkleinwoord, enkelvoud |
| montuurtjes | verkleinwoord, meervoud |
Herkomst
Leenwoord uit het Frans, in de betekenis van ‘inlijsting van een bril’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1913
Woordfamilie van montuur
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| monturen | meervoud | montuur |
| montuurtje | verkleinwoord | montuur |
| montuurtjes | verkleinwoord meervoud | montuur |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van montuur zijn vastgelegd.