huur
zelfstandig naamwoord, werkwoord /ɦyr/Betekenis
- het tijdelijk gebruik van goederen of diensten tegen betaling
- geldbedrag waarvoor men huurt
Hoe spreek je huur uit?
/hyr/
Huur bestaat uit één lettergreep.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| h | hoed |
| y | fuut |
| r | rood |
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| huren | meervoud |
| huurtje | verkleinwoord, enkelvoud |
| huurtjes | verkleinwoord, meervoud |
Woordvorm
- eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van huren
- gebiedende wijs van huren
- tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van huren
Vervoeging van huur
huurhele werkwoord
Herkomst
In de betekenis van ‘het huren; geldsom waarvoor men huurt’ voor het eerst aangetroffen in 1324
Woordfamilie van huur
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| huurtje | verkleinwoord | huur |
| huurtjes | verkleinwoord meervoud | huur |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van huur zijn vastgelegd.