vuren
werkwoord, bijvoeglijk naamwoord, zelfstandig naamwoord /vy.rə(n)/Betekenis
- schoten lossen
- vurenhouten
Hoe spreek je vuren uit?
/vyrən/
Vuren bestaat uit twee lettergrepen.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| v | vis |
| y | fuut |
| r | rood |
| ə | de |
| n | nek |
Vervoeging van vuren
vurenhele werkwoord — vuurdeverleden tijd enkelvoud — vuurdenverleden tijd meervoud — gevuurdvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | vuur | vuurde |
| jij | vuurt | vuurde |
| hij, zij, het | vuurt | vuurde |
| wij | vuren | vuurden |
| jullie | vuren | vuurden |
| zij | vuren | vuurden |
Alle 55 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| ev. | gebiedende wijs |
| gevuurd | verleden tijd, deelwoord |
| gevuurd te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| gevuurd zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| had gevuurd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had gevuurd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had gevuurd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden gevuurd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden gevuurd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden gevuurd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt gevuurd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb gevuurd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben gevuurd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben gevuurd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben gevuurd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben gevuurd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt gevuurd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft gevuurd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft gevuurd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| te hebben gevuurd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te vuren | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen vuren | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| vure | aanvoegende wijs |
| vurend | onvoltooid, deelwoord |
| vuur | gebiedende wijs |
| vuurde | verleden tijd |
| zal gevuurd hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal gevuurd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal gevuurd hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal vuren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal vuren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal vuren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zou gevuurd hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou gevuurd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou gevuurd hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou vuren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou vuren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou vuren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zouden gevuurd hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden gevuurd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden gevuurd hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden vuren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden vuren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden vuren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zoudt gevuurd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt vuren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zullen gevuurd hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen gevuurd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen gevuurd hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen vuren | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen vuren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen vuren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen vuren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zult gevuurd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult vuren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
bijvoeglijk naamwoord
- gemaakt van dennenhout of het hout van een spar
Woordvorm
- meervoud van het zelfstandig naamwoord vuur
Herkomst
ww: met vuur wordt het buskruit ontstoken
Woordfamilie van vuren
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| gevuurd | voltooid deelwoord | vuren |
| vure | aanvoegende wijs | vuren |
| vurend | onvoltooid deelwoord | vuren |
| vurende | woordvorm | vuren |
| vuurde | verleden tijd | vuren |
| vuurden | aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | vuren |
| vuurt | aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | vuren |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van vuren zijn vastgelegd.