clausuur
zelfstandig naamwoord klɔu'zyrBetekenis
- afsluiting van bepaalde delen van een klooster voor buitenstaanders
- slot (om een boek te sluiten)
Hoe spreek je clausuur uit?
/klɔuˈzyr/
Clausuur bestaat uit twee lettergrepen. De klemtoon ligt op de tweede.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| k | kat |
| l | land |
| ɔ | bot |
| u | boek |
| z | zon |
| y | fuut |
| r | rood |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| clausuren | meervoud |
Herkomst
Leenwoord uit het Latijn, in de betekenis van ‘afsluiting’ voor het eerst aangetroffen in 1790
Woordfamilie van clausuur
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| clausuren | meervoud | clausuur |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van clausuur zijn vastgelegd.