cultuur
zelfstandig naamwoord /kɵl'tyːr/Betekenis
- het patroon van menselijke activiteit en de symbolische structuren, die deze activiteiten een zekere betekenis geven met name kunst en wetenschap
- hoe mensen samenleven
- het verbouwen van gewassen
- op een voedingsbodem gekweekte micro-organismen
Hoe spreek je cultuur uit?
/kɵlˈtyr/
Cultuur bestaat uit twee lettergrepen. De klemtoon ligt op de tweede.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| k | kat |
| ɵ | put |
| l | land |
| t | tak |
| y | fuut |
| r | rood |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
zelfstandig naamwoord
- hoe mensen samenleven; alles wat aangeleerd is
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| culturen | meervoud |
| cultuurtje | verkleinwoord, enkelvoud |
| cultuurtjes | verkleinwoord, meervoud |
Herkomst
Leenwoord uit het Frans, in de betekenis van ‘bebouwing’ voor het eerst aangetroffen in 1544
Woordfamilie van cultuur
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| culturen | meervoud | cultuur |
| cultuurtje | verkleinwoord | cultuur |
| cultuurtjes | verkleinwoord meervoud | cultuur |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van cultuur zijn vastgelegd.
Afleidingen en samenstellingen
- cultureel
- cultuurbarbaar
- cultuurbeleid
- cultuurbezit
- cultuurclash
- cultuurfonds
- cultuurgebied
- cultuurgebonden
- cultuurgemeenschap
- cultuurgeschiedenis
- cultuurgewas
- cultuurgoed
- cultuurhistorie
- cultuurhistorisch
- cultuurlandschap
- cultuurloos
- cultuurminister
- cultuuromslag
- cultuuroverdracht
- cultuurparticipatie
- cultuurpessimisme
- cultuurpolitiek
- cultuurrelativisme
- cultuurschok