natuur
zelfstandig naamwoord, werkwoord naˈtyrBetekenis
- oorspronkelijke, onaangeroerde verschijningsvorm van alles wat zich op, in en rond de Aarde bevindt; min of meer synoniem aan 'schepping' of 'wildernis'. Dit als tegenstelling tot cultuur, technologie of beschavingdie juist duiden op wat de mens tot op heden aan die schepping of wildernis veranderd heeft en die uit door de mens bewust gecreëerde of gewijzigde vormen bestaan.
- oorspronkelijke wildernis en de nabootsing daarvan, omringend landschap dat wordt beleefd alsof het nooit door de mens is gewijzigd
- alles wat niet door bewust menselijk handelen is ontstaan, zoals het bestudeerd en beschreven wordt door wetenschappen als zoals de natuurkunde en de biologie, te vergelijken met het begrip heelal, universum of kosmos, meestal beschouwd als gezien vanuit het standpunt van de mens op Aarde
- de aard van iets of iemand; het karakter of de essentie
- teelvocht; mannelijk zaad en geslachtsorgaan
Hoe spreek je natuur uit?
/naˈtyr/
Natuur bestaat uit twee lettergrepen. De klemtoon ligt op de tweede.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| n | nek |
| a | maan |
| t | tak |
| y | fuut |
| r | rood |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
zelfstandig naamwoord
- oorspronkelijke, onaangeroerde verschijningsvorm van alles wat zich op, in en rond de Aarde bevindt; min of meer synoniem aan "schepping" of "wildernis", als tegenstelling tot cultuur, technologie of beschaving
- de aard van iets of iemand; diens karakter
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| naturen | meervoud |
Woordvorm
- eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van naturen
Vervoeging van natuur
natuurhele werkwoord
Herkomst
via Middelnederlands nature van Frans nature of direct van Latijn natura, het deelwoord van de toekomende tijd van nasci, hetgeen zoveel betekent als "dat wat geboren zal worden", "tot leven zal komen" **[2] in de betekenis van ‘het (schijnbaar) niet door de mens gewijzigde landschap om ons heen' aangetroffen vanaf 1697 **[4] in de betekenis van 'aangeboren neiging' aangetroffen vanaf 1201, later ook 'natuurlijke wetmatigheid, natuurlijke loop der dingen, schepping, scheppende kracht'
Afleidingen en samenstellingen
- bovennatuurlijk
- naturisme
- naturist
- natuurazijn
- natuurbeeld
- natuurbegraafplaats
- natuurbeheer
- natuurbeheerder
- natuurbehoud
- natuurbeschermer
- natuurbescherming
- natuurdrift
- natuureducatie
- natuurfilm
- natuurfilosofie
- natuurfilosoof
- natuurfotografie
- natuurgebied
- natuurgeneeswijze
- natuurgenezer
- natuurgeweld
- natuurherstel
- natuurijs
- natuurkracht