factuur
zelfstandig naamwoord fɑkˈtyrBetekenis
- document met een beschrijving van goederen die een bedrijf (aan een ander bedrijf) geleverd heeft
Hoe spreek je factuur uit?
/fɑkˈtyr/
Factuur bestaat uit twee lettergrepen. De klemtoon ligt op de tweede.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| f | fiets |
| ɑ | bad |
| k | kat |
| t | tak |
| y | fuut |
| r | rood |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
zelfstandig naamwoord
- document met een beschrijving van goederen die een bedrijf (aan een ander bedrijf) geleverd heeft en de daarmee gepaard gaande kosten
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| facturen | meervoud |
| factuurtje | verkleinwoord, enkelvoud |
| factuurtjes | verkleinwoord, meervoud |
Herkomst
Leenwoord uit het Frans, in de betekenis van ‘rekening voor geleverde goederen’ voor het eerst aangetroffen in 1600
Woordfamilie van factuur
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| facturen | meervoud | factuur |
| factuurtje | verkleinwoord | factuur |
| factuurtjes | verkleinwoord meervoud | factuur |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van factuur zijn vastgelegd.