armatuur
zelfstandig naamwoord ɑrma'tyrBetekenis
- wapening van een constructie
- houder voor een of meer lampen
- anker van een elektromagneet
Hoe spreek je armatuur uit?
/ɑrmaˈtyr/
Armatuur bestaat uit drie lettergrepen. De klemtoon ligt op de derde.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| ɑ | bad |
| r | rood |
| m | maan |
| a | maan |
| t | tak |
| y | fuut |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| armaturen | meervoud |
| armatuurtje | verkleinwoord, enkelvoud |
| armatuurtjes | verkleinwoord, meervoud |
Herkomst
Leenwoord uit het Frans, in de betekenis van ‘draagconstructie’ voor het eerst aangetroffen in 1665
Woordfamilie van armatuur
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| armaturen | meervoud | armatuur |
| armatuurtje | verkleinwoord | armatuur |
| armatuurtjes | verkleinwoord meervoud | armatuur |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van armatuur zijn vastgelegd.