internet
zelfstandig naamwoord, werkwoord ˈɪntərˌnɛtBetekenis
- een wereldwijd netwerk van computers met een gemeenschappelijk, gestandaardiseerd protocol (het Internet Protocol, IP)
- spellingsvariant van Internet
Hoe spreek je internet uit?
/ˈɪntərˌnɛt/
Internet bestaat uit drie lettergrepen. De klemtoon ligt op de eerste.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| ɪ | pit |
| n | nek |
| t | tak |
| ə | de |
| r | rood |
| ɛ | bed |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
| ˌ | een lichtere nadruk, zwakker dan de hoofdklemtoon |
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| internetje | verkleinwoord, enkelvoud |
| internetjes | verkleinwoord, meervoud |
Woordvorm
- enkelvoud tegenwoordige tijd van internetten
- gebiedende wijs van internetten
Vervoeging van internet
internethele werkwoord
Herkomst
Leenwoord uit het Engels, in de betekenis van ‘wereldwijd netwerk van computers’ voor het eerst aangetroffen in 1992
Woordfamilie van internet
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| internetje | verkleinwoord | internet |
| internetjes | verkleinwoord meervoud | internet |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van internet zijn vastgelegd.
Afleidingen en samenstellingen
- internetaansluiting
- internetadres
- internetapplicatie
- internetbankieren
- internetbedrijf
- internetbehandeling
- internetbellen
- internetbrowser
- internetcafé
- internetcensuur
- internetcriminaliteit
- internetdate
- internetdienst
- internetdomein
- interneteconomie
- internetfilter
- internetforum
- internetfraude
- internetgebruiker
- internetgemeenschap
- internetgigant
- internethandel
- internethype
- internetjournalistiek