browser
zelfstandig naamwoord 'brɔusərBetekenis
- computerprogramma waarmee elektronische bestanden (vooral webpagina's) kunnen worden geraadpleegd
Hoe spreek je browser uit?
/ˈbrɔusər/
Browser bestaat uit twee lettergrepen. De klemtoon ligt op de eerste.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| b | bak |
| r | rood |
| ɔ | bot |
| u | boek |
| s | sok |
| ə | de |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| browsers | meervoud |
| browsertje | verkleinwoord, enkelvoud |
| browsertjes | verkleinwoord, meervoud |
Herkomst
Leenwoord uit het Engels, in de betekenis van ‘computerprogramma waarmee elektronische bestanden kunnen worden geraadpleegd’ voor het eerst aangetroffen in 1994
Woordfamilie van browser
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| browsers | meervoud | browser |
| browsertje | verkleinwoord | browser |
| browsertjes | verkleinwoord meervoud | browser |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van browser zijn vastgelegd.