toilet
zelfstandig naamwoord /tʋɑ'lɛt/Betekenis
- een plaats waar men kan urineren en zich kan ontlasten, meestal een kleine gesloten ruimte met een toiletpot
- toiletpot
- persoonlijke verzorging zoals het zich netjes kleden en opmaken, m.n. van vrouwen gezegd
- wc,
- kaptafel
Hoe spreek je toilet uit?
/twɑˈlɛt/
Toilet bestaat uit twee lettergrepen. De klemtoon ligt op de tweede.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| t | tak |
| w | quiz |
| ɑ | bad |
| l | land |
| ɛ | bed |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| toiletje | verkleinwoord, enkelvoud |
| toiletjes | verkleinwoord, meervoud |
| toiletten | meervoud |
Herkomst
Leenwoord uit het Frans, in de betekenis van ‘kleding’ voor het eerst aangetroffen in 1813
Woordfamilie van toilet
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| toiletje | verkleinwoord | toilet |
| toiletjes | verkleinwoord meervoud | toilet |
| toiletten | meervoud | toilet |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van toilet zijn vastgelegd.