manchet
zelfstandig naamwoord mɑnˈʃɛtBetekenis
- een dubbele of stevige stof aan rond de opening van de mouw of hals
- hulpstuk om een granaat op zijn plaats te houden in een kanonloop
Hoe spreek je manchet uit?
/mɑnˈʃɛt/
Manchet bestaat uit twee lettergrepen. De klemtoon ligt op de tweede.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| m | maan |
| ɑ | bad |
| n | nek |
| ʃ | sjaal |
| ɛ | bed |
| t | tak |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
zelfstandig naamwoord — feminine, masculine
- een dubbele of stevige stof rond de opening van de mouw of hals
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| manchetje | verkleinwoord, enkelvoud |
| manchetjes | verkleinwoord, meervoud |
| manchetten | meervoud |
Herkomst
Leenwoord uit het Frans, in de betekenis van ‘handboord’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1731
Woordfamilie van manchet
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| manchetten | meervoud | manchet |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van manchet zijn vastgelegd.