spam
zelfstandig naamwoord, werkwoordBetekenis
- ongewenste e-mail
- Nederlands
- spammen
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| spams | meervoud |
Woordvorm
- eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van spammen
- gebiedende wijs van spammen
- tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van spammen
Vervoeging van spam
spamhele werkwoord
Herkomst
Leenwoord uit het Engels, in de betekenis van ‘ongevraagde mail’ voor het eerst aangetroffen in 1997
Woordfamilie van spam
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| spams | meervoud | spam |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van spam zijn vastgelegd.