pet
zelfstandig naamwoord, bijvoeglijk naamwoord pɛtBetekenis
- tamelijk plat hoofddeksel met een klep
- polyetheentereftalaat, soort lichte, doorschijnende kunststof
- erg slecht, waardeloos
- hoeveel
- huisdier
- borst
Hoe spreek je pet uit?
/pɛt/
Pet bestaat uit één lettergreep.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| p | pak |
| ɛ | bed |
| t | tak |
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| petje | verkleinwoord, enkelvoud |
| petjes | verkleinwoord, meervoud |
| petten | meervoud |
Herkomst
Leenwoord uit het ?, in de betekenis van ‘hoofddeksel’ voor het eerst aangetroffen in 1806
Woordfamilie van pet
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| petje | verkleinwoord | pet |
| petjes | verkleinwoord meervoud | pet |
| petten | meervoud | pet |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van pet zijn vastgelegd.