parket
zelfstandig naamwoord pɑrˈkɛtBetekenis
- landelijk ~, functioneel ~, het Openbaar Ministerie
- afzonderlijke ruimte in gerechtszalen, bijv. van de officier van justitie
- parketvloer
- ruimte tussen parterre en stalles, met name in een schouwburg
Hoe spreek je parket uit?
/pɑrˈkɛt/
Parket bestaat uit twee lettergrepen. De klemtoon ligt op de tweede.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| p | pak |
| ɑ | bad |
| r | rood |
| k | kat |
| ɛ | bed |
| t | tak |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| parketje | verkleinwoord, enkelvoud |
| parketjes | verkleinwoord, meervoud |
| parketten | meervoud |
Herkomst
van Frans parquet, in de betekenis van ‘afgeperkte ruimte’ voor het eerst aangetroffen in 1414
Woordfamilie van parket
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| parketje | verkleinwoord | parket |
| parketjes | verkleinwoord meervoud | parket |
| parkette | neuter | parket |
| parketten | meervoud | parket |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van parket zijn vastgelegd.