vet
bijvoeglijk naamwoord, zelfstandig naamwoord, werkwoord vɛtBetekenis
- rijk aan vet, vetrijk
- veel voedende stoffen bevattend
- vuil door vet of olie
- goed gevuld dik, winstgevend
- door veel inkt, verf enz., dik en breed
- lijkend op iets vets
- gaaf, geweldig
- modderig en slijkerig van natte grond
- een groep van chemische stoffen bestaande uit verbindingen tussen glycerol en vetzuren
- gespecialiseerd dierlijk weefsel
- dierlijke of plantaardige brandstof
- als smeermiddel gebruikte substantie
Hoe spreek je vet uit?
/vɛt/
Vet bestaat uit één lettergreep.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| v | vis |
| ɛ | bed |
| t | tak |
Verbuiging en vervoeging (bijvoeglijk naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| vets | partitief, stellende trap |
| vetst | onverbogen, overtreffende trap |
| vetste | verbogen, overtreffende trap |
| vette | verbogen, stellende trap |
| vetter | onverbogen, vergrotende trap |
| vettere | verbogen, vergrotende trap |
| vetters | partitief, vergrotende trap |
zelfstandig naamwoord — neuter
- iets wat er dik uitziet
Woordvorm
- enkelvoud tegenwoordige tijd van vetten
- gebiedende wijs van vetten
Vervoeging van vet
vethele werkwoord
Herkomst
erfwoord via Middelnederlands vet van Oudnederlands fet, in de betekenis van ‘weefsel tussen vlees’ aangetroffen vanaf 901
Woordfamilie van vet
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| vets | partitive, positive | vet |
| vetst | uninflected, superlative | vet |
| vetste | inflected, superlative | vet |
| vetter | vergrotende trap | vet |
| vettere | verbogen vergrotende trap | vet |
| vetters | partitieve vergrotende trap | vet |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van vet zijn vastgelegd.