net
zelfstandig naamwoord, bijvoeglijk naamwoord, bijwoord, werkwoord nɛtBetekenis
- een geheel van fijne draden vaak gebruikt om dieren te vangen
- samenstel van elkaar kruisende of snijdende lijnen, wegen enz.
- netwerk, stelsel van zaken, apparaten of personen die nauw met elkaar in contact staan
- stelsel van krommen in het platte vlak, dat lineair afhangt van twee parameters
- vetrijk vlies tussen buik en ingewanden
- internet
- proper, rein, schoon, ordelijk, keurig
- (van kleding) geschikt voor officiële gelegenheden
- fatsoenlijk
- kort geleden, zojuist, even tevoren
- juist
- precies als
- slechts, alleen
- list, valkuil
- netbal
- netto
- niet
Hoe spreek je net uit?
/nɛt/
Net bestaat uit één lettergreep.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| n | nek |
| ɛ | bed |
| t | tak |
zelfstandig naamwoord — neuter
- een geheel van fijne draden, vaak gebruikt om dieren (m.n. vissen) te vangen
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| netje | verkleinwoord, enkelvoud |
| netjes | verkleinwoord, meervoud |
| netten | meervoud |
bijvoeglijk naamwoord
- geschikt voor officiële gelegenheden
Woordvorm
- enkelvoud tegenwoordige tijd van netten
- gebiedende wijs van netten
Vervoeging van net
nethele werkwoord
Herkomst
Leenwoord uit het Frans, in de betekenis van ‘keurig’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1456
Woordfamilie van net
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| netje | verkleinwoord | net |
| nets | woordvorm | net |
| netst | woordvorm | net |
| netste | woordvorm | net |
| netter | woordvorm | net |
| nettere | woordvorm | net |
| netters | woordvorm | net |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van net zijn vastgelegd.