biljet
zelfstandig naamwoord bɪl'jɛtBetekenis
- een stuk van staatswege uitgegeven papier waaraan geldswaarde is toegekend
- beschreven of bedrukt stuk papier (waarvan het bezit iemand rechten geeft)
Hoe spreek je biljet uit?
/bɪlˈjɛt/
Biljet bestaat uit twee lettergrepen. De klemtoon ligt op de tweede.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| b | bak |
| ɪ | pit |
| l | land |
| j | ja |
| ɛ | bed |
| t | tak |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| biljetje | verkleinwoord, enkelvoud |
| biljetjes | verkleinwoord, meervoud |
| biljetten | meervoud |
Herkomst
Leenwoord uit het Frans, in de betekenis van ‘briefje, kaartje’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1488
Woordfamilie van biljet
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| biljetje | verkleinwoord | biljet |
| biljetjes | verkleinwoord meervoud | biljet |
| biljetten | meervoud | biljet |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van biljet zijn vastgelegd.