opbrengst
zelfstandig naamwoord ˈɔbrɛŋstBetekenis
- dat wat opgebracht wordt, de baat die men heeft van zijn activiteiten
Hoe spreek je opbrengst uit?
/ˈɔbrɛŋst/
Opbrengst bestaat uit twee lettergrepen. De klemtoon ligt op de eerste.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| ɔ | bot |
| b | bak |
| r | rood |
| ɛ | bed |
| ŋ | ding |
| s | sok |
| t | tak |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| opbrengsten | meervoud |
| opbrengstje | verkleinwoord, enkelvoud |
| opbrengstjes | verkleinwoord, meervoud |
Herkomst
In de betekenis van ‘het voortgebrachte’ voor het eerst aangetroffen in 1808
Woordfamilie van opbrengst
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| opbrengsten | meervoud | opbrengst |
| opbrengstje | verkleinwoord | opbrengst |
| opbrengstjes | verkleinwoord meervoud | opbrengst |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van opbrengst zijn vastgelegd.