bandrem
zelfstandig naamwoordBetekenis
- rem die bestaat uit een band die om een een schijf of trommel klemt
- rem die aangrijpt op een (fiets)band
zelfstandig naamwoord — feminine, masculine
- rem die bestaat uit een band die om een schijf of trommel klemt
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| bandremmen | meervoud |
| bandremmetje | verkleinwoord, enkelvoud |
| bandremmetjes | verkleinwoord, meervoud |
Herkomst
samenstelling van band zn en rem zn
Woordfamilie van bandrem
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| bandremmen | meervoud | bandrem |
| bandremmetje | verkleinwoord | bandrem |
| bandremmetjes | verkleinwoord meervoud | bandrem |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van bandrem zijn vastgelegd.