Naar de inhoud

banen

zich een weg ~: een pad maken waar er geen was, resoluut doordringen in iets

banen is meer dan één woord

banen

werkwoord, zelfstandig naamwoord ˈbanə(n)

Betekenis

  1. zich een weg ~: een pad maken waar er geen was, resoluut doordringen in iets

Hoe spreek je banen uit?

/ˈbanən/

Banen bestaat uit twee lettergrepen. De klemtoon ligt op de eerste.

De tekens in /ˈbanən/ en een woord waarin dezelfde klank staat.
Teken Klinkt als in
b bak
a maan
n nek
ə de
ˈ de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint

Vervoeging van banen

banenhele werkwoord — baandeverleden tijd enkelvoud — baandenverleden tijd meervoud — gebaandvoltooid deelwoord

Persoon Tegenwoordige tijd Verleden tijd
ik baan baande
jij baant baande
hij, zij, het baant baande
wij banen baanden
jullie banen baanden
zij banen baanden
Alle 160 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
Vorm Grammaticale informatie
- impersonal, passief
baan gebiedende wijs
baan me eerste persoon, tegenwoordige tijd, enkelvoud
baan u/je , baant je gebiedende wijs
baande verleden tijd
baande je tweede persoon, verleden tijd, enkelvoud
baande me eerste persoon, verleden tijd, enkelvoud
baande u tweede persoon, toekomende tijd, enkelvoud
baande u tweede persoon, verleden tijd, meervoud
baande zich derde persoon, verleden tijd, enkelvoud
baande zich/u tweede persoon, toekomende tijd, enkelvoud
baande zich/u tweede persoon, verleden tijd, meervoud
baanden je tweede persoon, verleden tijd, meervoud
baanden ons eerste persoon, verleden tijd, meervoud
baanden zich derde persoon, verleden tijd, meervoud
baant je tweede persoon, tegenwoordige tijd, enkelvoud
baant u tweede persoon, verleden tijd, enkelvoud
baant u tweede persoon, tegenwoordige tijd, meervoud
baant zich derde persoon, tegenwoordige tijd, enkelvoud
baant zich/u tweede persoon, verleden tijd, enkelvoud
baant zich/u tweede persoon, tegenwoordige tijd, meervoud
bane aanvoegende wijs
bane zich aanvoegende wijs
banen je tweede persoon, tegenwoordige tijd, meervoud
banen ons eerste persoon, tegenwoordige tijd, meervoud
banen zich derde persoon, tegenwoordige tijd, meervoud
banend onvoltooid, deelwoord
ben gebaand voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
bent gebaand voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
er is gebaand impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid
er was gebaand impersonal, passief, verleden tijd, voltooid
er werd gebaand impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid
er wordt gebaand impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid
er zal gebaand worden impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid
er zal gebaand zijn impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid
er zou gebaand worden impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid
er zou gebaand zijn impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid
ev. gebiedende wijs
gebaand verleden tijd, deelwoord
gebaand te worden infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
gebaand te zijn infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
gebaand te zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
gebaand te zullen worden infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
gebaand te zullen zijn infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
gebaand worden infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
gebaand zijn infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
gebaand zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
gebaand zullen worden infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
gebaand zullen zijn infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
had gebaand voltooid, verleden tijd, eerste persoon
had gebaand voltooid, verleden tijd, tweede persoon
had gebaand voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadden gebaand voltooid, verleden tijd, eerste persoon
hadden gebaand voltooid, verleden tijd, tweede persoon
hadden gebaand voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadt gebaand voltooid, verleden tijd, tweede persoon
heb gebaand voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben gebaand actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
hebben gebaand voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben gebaand voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
hebben gebaand voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
hebt gebaand voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft gebaand voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft gebaand voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
is gebaand voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
is gebaand voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
te banen actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te hebben gebaand actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te zullen banen actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
waart gebaand voltooid, verleden tijd, tweede persoon
waren gebaand voltooid, verleden tijd, eerste persoon
waren gebaand voltooid, verleden tijd, tweede persoon
waren gebaand voltooid, verleden tijd, derde persoon
was gebaand voltooid, verleden tijd, eerste persoon
was gebaand voltooid, verleden tijd, tweede persoon
was gebaand voltooid, verleden tijd, derde persoon
werd gebaand enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, eerste persoon
werd gebaand enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon
werd gebaand enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon
werden gebaand enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, eerste persoon
werden gebaand enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, tweede persoon
werden gebaand enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon
werdt gebaand enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon
word gebaand enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
worden gebaand enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, eerste persoon
worden gebaand enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, tweede persoon
worden gebaand enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
wordt gebaand enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon
wordt gebaand enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zal banen aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon
zal banen aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zal banen aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon
zal gebaand hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal gebaand hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zal gebaand hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zal gebaand worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal gebaand worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zal gebaand zijn voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal gebaand zijn voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zal me banen eerste persoon, toekomende tijd, enkelvoud
zal zich banen derde persoon, toekomende tijd, enkelvoud
zal, zult je banen tweede persoon, toekomende tijd, enkelvoud
zich banend onvoltooid, deelwoord
zich gebaand hebben verleden tijd
zijn gebaand voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
zijn gebaand voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zijn gebaand voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
zijt gebaand voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zou banen aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon
zou banen aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zou banen aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon
zou gebaand hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou gebaand hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou gebaand hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zou gebaand worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou gebaand worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zou gebaand worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou gebaand zijn voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou gebaand zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou gebaand zijn voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden banen aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden banen aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden banen aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zouden gebaand hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden gebaand hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden gebaand hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden gebaand worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden gebaand worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden gebaand worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden gebaand zijn voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden gebaand zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden gebaand zijn voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zoudt banen aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zoudt gebaand hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt gebaand worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt gebaand zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zullen banen actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
zullen banen aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon
zullen banen aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon
zullen banen aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon

Woordvorm

  • meervoud van het zelfstandig naamwoord baan

Herkomst

In de betekenis van ‘een weg maken’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1401

Woordfamilie van banen

Woordvorm Relatie Afgeleid van
baande verleden tijd banen
baanden aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon banen
baant aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon banen
bane aanvoegende wijs banen
banend onvoltooid deelwoord banen
banende woordvorm banen

Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van banen zijn vastgelegd.

Veelgestelde vragen over banen

Hoe spreek ik banen uit?
Zo spreek je banen uit: /ˈbanə(n)/. Dat is de weergave in het internationaal fonetisch alfabet, waarin elke klank een eigen teken heeft. Het streepje ˈ markeert de klemtoon: die ligt op de eerste lettergreep.
Wat is de betekenis van banen?
Banen is een werkwoord. De betekenis is: zich een weg ~: een pad maken waar er geen was, resoluut doordringen in iets.
Hoe vervoeg ik banen?
Zo vervoeg je banen zo: de tegenwoordige tijd is baan, de verleden tijd is baande en het voltooid deelwoord is gebaand. Alle vormen staan in de tabel op deze pagina.

Rijmwoordenboek: wat rijmt er op banen?

Op banen rijmen 33 woorden, onder andere manen, tranen en verdonkeremanen. Ze klinken vanaf de beklemtoonde lettergreep hetzelfde, niet alleen op de laatste letters.

Rijmwoorden op banen, uitspraak ˈbanən, de gangbaarste eerst.
Rijmwoord Lettergrepen
manen 2
tranen 2
verdonkeremanen 6
krokodillentranen 6
vermanen 3
tanen 2
leeuwenmanen 4
aansluitkranen 4
arubanen 4
azerbeidzjanen 5
bahianen 4
besturingsorganen 6
bonairianen 5
granen 2
hanen 2
hindoestanen 4
hindostanen 4
hinkelbanen 4
lefebvrianen 5
maranen 3
marianen 4
nauruanen 4
nedanen 3
nigerianen 5
organen 3
plebanen 3
reclamekaravanen 7
rijstbananen 4
sabanen 3
samaritanen 5
statianen 3
supervulkanen 5
tastorganen 4

Spellen

Scrabble punten

Naar spel

Het woord banen is 7 punten waard met Scrabble, zonder bonusvakjes meegerekend.

  1. B 3
  2. A 1
  3. N 1
  4. E 1
  5. N 1
  6. 7 totaal

Wordfeud punten

Naar spel

banen levert met Wordfeud minimaal 8 en maximaal 48 punten op. Wat het precies wordt, hangt af van de bonusvakjes waarop het woord komt te liggen.

  1. B 4
  2. A 1
  3. N 1
  4. E 1
  5. N 1
  6. 8 zonder bonus
  7. 48 met bonus

Het minimum is de som van de stenen, zonder bonusvakje. Het maximum telt de duurste letter (B) op een drieletterbonus mee en het hele woord op een driewoordbonus.

banen telt 5 letters, waarvan 4 verschillende, want één letter komt er dubbel in voor. Hoe meer verschillende letters een gok heeft, hoe meer woorden hij wegstreept.

Dit woordenboek kent 6.487 woorden van 5 letters. Dat is het speelveld waar een Woordle van deze lengte uit put.

Met de Woordle helper vul je de kleuren van je pogingen in en zie je welke woorden nog passen.

banen in het kort

banen is zowel werkwoord als zelfstandig naamwoord. Wat het is, hangt af van de zin. Van banen staan er 103 woordvormen vastgelegd; de tabel op deze pagina laat ze zien. Daarnaast hoort banen bij een woordfamilie van 6 verwante woorden, bepaald aan de hand van vastgelegde woordvormrelaties.

banen: zich een weg ~: een pad maken waar er geen was, resoluut doordringen in iets
Deel banen — standaardnederlands.nl