doel
zelfstandig naamwoord, werkwoord dulBetekenis
- het punt waarop men zich richt
- een van de twee gemarkeerde ruimten op een sportveld, een bal die daarin op correcte wijze terechtkomt, levert een doelpunt op voor de tegenstander
Hoe spreek je doel uit?
/dul/
Doel bestaat uit één lettergreep.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| d | dak |
| u | boek |
| l | land |
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| doelen | meervoud |
| doeltje | verkleinwoord, enkelvoud |
| doeltjes | verkleinwoord, meervoud |
Woordvorm
- eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van doelen
- gebiedende wijs van doelen
- tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van doelen
Vervoeging van doel
doelhele werkwoord
Herkomst
In de betekenis van ‘mikpunt’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1579
Woordfamilie van doel
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| doeltje | verkleinwoord | doel |
| doeltjes | verkleinwoord meervoud | doel |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van doel zijn vastgelegd.