vak
zelfstandig naamwoord vɑkBetekenis
- beroep
- ingedeeld stuk, bijv. schap, baanvak, supportersvak
- schoolvak, leervak
- zak, buidel; slappe, vormeloze container
- buidel; huidplooi bij buideldieren waarin de jongen zich ophouden
- pytel
Hoe spreek je vak uit?
/vɑk/
Vak bestaat uit één lettergreep.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| v | vis |
| ɑ | bad |
| k | kat |
zelfstandig naamwoord — neuter
- beroep [1]
- specifieke tak binnen de wetenschap, discipline [2]
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| vakje | verkleinwoord, enkelvoud |
| vakjes | verkleinwoord, meervoud |
| vakken | meervoud |
Herkomst
In de betekenis van ‘begrensd deel’ voor het eerst aangetroffen in 1319
Woordfamilie van vak
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| vakje | verkleinwoord | vak |
| vakjes | verkleinwoord meervoud | vak |
| vakken | meervoud | vak |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van vak zijn vastgelegd.