verkeer
zelfstandig naamwoord, werkwoord vərˈkerBetekenis
- het geheel van verplaatsingen waarbij goederen of personen vervoerd worden
- omgang b.v. geslachtsverkeer
- het overbrengen van berichten via een communicatiekanaal (post, telefoon, telegram etc.) - dataverkeer
Hoe spreek je verkeer uit?
/vərˈker/
Verkeer bestaat uit twee lettergrepen. De klemtoon ligt op de tweede.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| v | vis |
| ə | de |
| r | rood |
| k | kat |
| e | veel |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
zelfstandig naamwoord — neuter
- het overbrengen van berichten via een communicatiekanaal (post, telefoon, telegram etc.) -> dataverkeer
Woordvorm
- eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van verkeren
- gebiedende wijs van verkeren
- tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van verkeren
Vervoeging van verkeer
verkeerhele werkwoord
Herkomst
Leenwoord uit het Duits, in de betekenis van ‘voertuigen en personen die de openbare weg gebruiken’ voor het eerst aangetroffen in 1843
Afleidingen en samenstellingen
- verkeersader
- verkeersagent
- verkeersbord
- verkeersbureau
- verkeerscentrale
- verkeersdiploma
- verkeersdrempel
- verkeerslawaai
- verkeersleider
- verkeersleiding
- verkeerslicht
- verkeersminister
- verkeersongeluk
- verkeersongeval
- verkeersopstopping
- verkeersplein
- verkeerspolitie
- verkeersprobleem
- verkeersregel
- verkeersregelaar
- verkeersreglement
- verkeerssituatie
- verkeersslachtoffer
- verkeerstechniek