parabool
zelfstandig naamwoord /ˌparaˈboɫ/Betekenis
- een kegelsnede waarbij het snijvlak parallel loopt met een lijn die aan de kegel raakt en tevens het toppunt snijdt
- de paraboloïde reflector met een zeer sterke richtwerking vooral toegepast voor geluid, warmte, licht en bij antennes voor de hogere zend- en ontvangfrequenties van het radiospectrum
- naam van de antenne met een parabool als reflector
- een retorische stijlfiguur, een formulering die de waarheid bewust te kort doet door haar als zeer klein, onnozel of onbeduidend voor te stellen
Hoe spreek je parabool uit?
/ˌparaˈbol/
Parabool bestaat uit drie lettergrepen. De klemtoon ligt op de derde.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| p | pak |
| a | maan |
| r | rood |
| b | bak |
| o | boot |
| l | land |
| ˌ | een lichtere nadruk, zwakker dan de hoofdklemtoon |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
zelfstandig naamwoord — feminine, masculine
- kegelsnede waarbij het snijvlak parallel loopt met een lijn die aan de kegel raakt en tevens het toppunt snijdt
- een bewoording waarbij iets doelbewust zwakker of onbeduidender wordt voorgesteld dan het in werkelijkheid is
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| parabolen | meervoud |
| parabooltje | verkleinwoord, enkelvoud |
| parabooltjes | verkleinwoord, meervoud |
Herkomst
via Frans parabole of direct van Latijn parabola en Oudgrieks παραβολή (parabolè) (met het voorvoegsel para-), in de betekenis van ‘kegelsnede’ aangetroffen vanaf 1645 Cognaat met parabel.
Woordfamilie van parabool
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| parabolen | meervoud | parabool |
| parabooltje | verkleinwoord | parabool |
| parabooltjes | verkleinwoord meervoud | parabool |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van parabool zijn vastgelegd.