zon
zelfstandig naamwoord, werkwoord zɔnBetekenis
- de ster waar de planeet aarde omheen draait, hemellichaam dat o.a. de aarde het daglicht schenkt
Hoe spreek je zon uit?
/zɔn/
Zon bestaat uit één lettergreep.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| z | zon |
| ɔ | bot |
| n | nek |
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| zonnen | meervoud |
| zonnetje | verkleinwoord, enkelvoud |
| zonnetjes | verkleinwoord, meervoud |
Woordvorm
- enkelvoud verleden tijd van zinnen
Vervoeging van zon
zonhele werkwoord
Woordvorm
- eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van zonnen
- gebiedende wijs van zonnen
- tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van zonnen
Vervoeging van zon
zonhele werkwoord
Woordvorm
- onpersoonlijke verleden tijd van zinnen
Vervoeging van zon
zonhele werkwoord
Herkomst
erfwoord, in de betekenis van ‘lichtend hemellichaam’ aangetroffen vanaf 901
Woordfamilie van zon
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| zonnetjes | verkleinwoord meervoud | zon |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van zon zijn vastgelegd.