balkon
zelfstandig naamwoord bɑlˈkɔnBetekenis
- een bouwkundig onderdeel op een etage dat uit de gevel naar voren springt
- een bepaalde plaats in tram of trein
- een rang in een theater of bioscoop
- (aan een gebouw)
- (in een theater of bioscooop)
Hoe spreek je balkon uit?
/bɑlˈkɔn/
Balkon bestaat uit twee lettergrepen. De klemtoon ligt op de tweede.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| b | bak |
| ɑ | bad |
| l | land |
| k | kat |
| ɔ | bot |
| n | nek |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| balkonnetje | verkleinwoord, enkelvoud |
| balkonnetjes | verkleinwoord, meervoud |
| balkons | meervoud |
Herkomst
Leenwoord uit het Frans, in de betekenis van ‘open uitbouw van huis’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1663
Woordfamilie van balkon
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| balkonnetje | verkleinwoord | balkon |
| balkonnetjes | verkleinwoord meervoud | balkon |
| balkons | meervoud | balkon |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van balkon zijn vastgelegd.