bonbon
zelfstandig naamwoord bɔnˈbɔnBetekenis
- een lekkernij bestaande uit een omhulsel van chocolade en een vulling van room, likeur, crème of iets dergelijks
Hoe spreek je bonbon uit?
/bɔnˈbɔn/
Bonbon bestaat uit twee lettergrepen. De klemtoon ligt op de tweede.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| b | bak |
| ɔ | bot |
| n | nek |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| bonbonnetje | verkleinwoord, enkelvoud |
| bonbonnetjes | verkleinwoord, meervoud |
| bonbons | meervoud |
Herkomst
Leenwoord uit het Frans, in de betekenis van ‘snoepgoed’ voor het eerst aangetroffen in 1785. Inmiddels is de betekenis in het Nederlands beperkt tot "snoepje met eromheen een laagje chocolade".
Woordfamilie van bonbon
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| bonbonnetje | verkleinwoord | bonbon |
| bonbonnetjes | verkleinwoord meervoud | bonbon |
| bonbons | meervoud | bonbon |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van bonbon zijn vastgelegd.