zondag
zelfstandig naamwoord ˈzɔndɑxBetekenis
- een dag van de week die na zaterdag en voor maandag komt
Hoe spreek je zondag uit?
/ˈzɔndɑx/
Zondag bestaat uit twee lettergrepen. De klemtoon ligt op de eerste.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| z | zon |
| ɔ | bot |
| n | nek |
| d | dak |
| ɑ | bad |
| x | acht |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| zo. | |
| zondagen | meervoud |
| zondagje | verkleinwoord, enkelvoud |
| zondagjes | verkleinwoord, meervoud |
Herkomst
van Middelnederlands sonnendach en Oudnederlands sunnadag, in de betekenis van ‘eerste dag van de week’ aangetroffen vanaf 2e helft 12e eeuw eponiem: op te vatten als samenstelling van Zon en "opgevat als godheid" en dag zn , een leenvertaling van Latijn dies Solis "dag van de Zon"
Woordfamilie van zondag
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| zondagen | meervoud | zondag |
| zondagje | verkleinwoord | zondag |
| zondagjes | verkleinwoord meervoud | zondag |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van zondag zijn vastgelegd.
Afleidingen en samenstellingen
- Zondagswet
- zondagamateur
- zondagcompetitie
- zondagkrant
- zondagopenstelling
- zondagrust
- zondags
- zondagsarbeid
- zondagsblad
- zondagsdienst
- zondagseditie
- zondagsgezicht
- zondagsheiliging
- zondagskind
- zondagskleed
- zondagskrant
- zondagsletter
- zondagsmaal
- zondagsmis
- zondagsopening
- zondagsopenstelling
- zondagspak
- zondagsplicht
- zondagspubliek