bidon
zelfstandig naamwoord biˈdɔnBetekenis
- waterfles voor op de fiets
- waterfles, waterkruik
- vat voor een vloeistof (water, melk, e.d.)
- niet echt
Hoe spreek je bidon uit?
/biˈdɔn/
Bidon bestaat uit twee lettergrepen. De klemtoon ligt op de tweede.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| b | bak |
| i | riet |
| d | dak |
| ɔ | bot |
| n | nek |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
zelfstandig naamwoord — masculine
- waterfles, met name bedoeld voor langere wandeltochten of om aan de fiets te bevestigen
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| bidonnetje | verkleinwoord, enkelvoud |
| bidonnetjes | verkleinwoord, meervoud |
| bidons | meervoud |
Herkomst
Leenwoord uit het Frans, in de betekenis van ‘blikken veldfles’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1912
Woordfamilie van bidon
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| bidonnetje | verkleinwoord | bidon |
| bidonnetjes | verkleinwoord meervoud | bidon |
| bidons | meervoud | bidon |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van bidon zijn vastgelegd.