pion
zelfstandig naamwoord piˈjɔnBetekenis
- een schaakstuk dat alleen recht vooruit kan lopen en schuin vooruit slaan.
- (Zuid-Nederlands) pylon
- een subatomair deeltje dat bestaat uit twee quarks en dus een boson is.
- surveillant op middelbare school
Hoe spreek je pion uit?
/piˈjɔn/
Pion bestaat uit twee lettergrepen. De klemtoon ligt op de tweede.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| p | pak |
| i | riet |
| j | ja |
| ɔ | bot |
| n | nek |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
zelfstandig naamwoord — masculine
- een schaakstuk dat per zet slechts één vakje vooruit kan lopen en schuin vooruit slaat
- willoze persoon die door iemand anders voor diens plannen wordt gebruikt figuratively
- pylon
- figuurtje bij een bordspel
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| pionnen | enkelvoud |
| pionnetje | verkleinwoord |
| pionnetjes | verkleinwoord, enkelvoud |
zelfstandig naamwoord — masculine
- pignon, conisch tandwiel
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| pionnetje | verkleinwoord |
| pionnetjes | verkleinwoord, enkelvoud |
| pions | enkelvoud |
zelfstandig naamwoord — neuter
- een subatomair deeltje dat zelf bestaat uit twee quarks en daardoor ook een boson is
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| pionen | enkelvoud |
Herkomst
pión m [A]: van Frans pion, in de betekenis van ‘een schaakstuk’ aangetroffen vanaf 1824
Woordfamilie van pion
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| pionen | enkelvoud | pion |
| pionnen | enkelvoud | pion |
| pionnetje | verkleinwoord | pion |
| pionnetjes | verkleinwoord | pion |
| pions | enkelvoud | pion |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van pion zijn vastgelegd.