marathon
zelfstandig naamwoord ˈmaraˌtɔnBetekenis
- een hardloopwedstrijd over 42,195 kilometer lengte
- overdrachtelijk iets dat bijzonder lang volgehouden wordt
Hoe spreek je marathon uit?
/ˈmaraˌtɔn/
Marathon bestaat uit drie lettergrepen. De klemtoon ligt op de eerste.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| m | maan |
| a | maan |
| r | rood |
| t | tak |
| ɔ | bot |
| n | nek |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
| ˌ | een lichtere nadruk, zwakker dan de hoofdklemtoon |
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| marathonnetje | verkleinwoord, enkelvoud |
| marathonnetjes | verkleinwoord, meervoud |
| marathons | meervoud |
Herkomst
Leenwoord uit het Engels, in de betekenis van ‘hardloopwedstrijd over lange afstand’ voor het eerst aangetroffen in 1900
Woordfamilie van marathon
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| marathonnetje | verkleinwoord | marathon |
| marathonnetjes | verkleinwoord meervoud | marathon |
| marathons | meervoud | marathon |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van marathon zijn vastgelegd.