zonnen
werkwoord, zelfstandig naamwoord ˈzɔnə(n)Betekenis
- zich gedurende een zekere tijd blootstellen aan zonnestraling
- licht en warm worden door zonnestraling, het schijnen van de zon
- aan de werking van zonlicht blootstellen
Hoe spreek je zonnen uit?
/ˈzɔnən/
Zonnen bestaat uit twee lettergrepen. De klemtoon ligt op de eerste.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| z | zon |
| ɔ | bot |
| n | nek |
| ə | de |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
Vervoeging van zonnen
zonnenhele werkwoord — zondeverleden tijd enkelvoud — zondenverleden tijd meervoud — gezondvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | zon | zonde |
| jij | zont | zonde |
| hij, zij, het | zont | zonde |
| wij | zonnen | zonden |
| jullie | zonnen | zonden |
| zij | zonnen | zonden |
Alle 55 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| ev. | gebiedende wijs |
| gezond | verleden tijd, deelwoord |
| gezond te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| gezond zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| had gezond | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had gezond | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had gezond | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden gezond | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden gezond | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden gezond | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt gezond | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb gezond | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben gezond | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben gezond | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben gezond | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben gezond | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt gezond | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft gezond | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft gezond | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| te hebben gezond | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zonnen | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen zonnen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| zal gezond hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal gezond hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal gezond hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal zonnen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal zonnen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal zonnen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zon | gebiedende wijs |
| zonde | verleden tijd |
| zonne | aanvoegende wijs |
| zonnend | onvoltooid, deelwoord |
| zou gezond hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou gezond hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou gezond hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou zonnen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou zonnen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou zonnen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zouden gezond hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden gezond hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden gezond hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden zonnen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden zonnen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden zonnen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zoudt gezond hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt zonnen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zullen gezond hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen gezond hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen gezond hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen zonnen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen zonnen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen zonnen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen zonnen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zult gezond hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult zonnen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
Woordvorm
- meervoud verleden tijd van zinnen
Vervoeging van zonnen
zonnenhele werkwoord — zondeverleden tijd enkelvoud — zondenverleden tijd meervoud — gezondvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | zon | zonde |
| jij | zont | zonde |
| hij, zij, het | zont | zonde |
| wij | zonnen | zonden |
| jullie | zonnen | zonden |
| zij | zonnen | zonden |
Alle 55 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| ev. | gebiedende wijs |
| gezond | verleden tijd, deelwoord |
| gezond te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| gezond zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| had gezond | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had gezond | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had gezond | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden gezond | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden gezond | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden gezond | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt gezond | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb gezond | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben gezond | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben gezond | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben gezond | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben gezond | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt gezond | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft gezond | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft gezond | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| te hebben gezond | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zonnen | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen zonnen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| zal gezond hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal gezond hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal gezond hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal zonnen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal zonnen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal zonnen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zon | gebiedende wijs |
| zonde | verleden tijd |
| zonne | aanvoegende wijs |
| zonnend | onvoltooid, deelwoord |
| zou gezond hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou gezond hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou gezond hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou zonnen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou zonnen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou zonnen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zouden gezond hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden gezond hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden gezond hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden zonnen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden zonnen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden zonnen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zoudt gezond hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt zonnen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zullen gezond hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen gezond hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen gezond hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen zonnen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen zonnen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen zonnen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen zonnen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zult gezond hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult zonnen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
Woordvorm
- meervoud van het zelfstandig naamwoord zon
Herkomst
ww: van Middelnederlands sonnen; op te vatten als afgeleid van zon zn met het achtervoegsel -en
Woordfamilie van zonnen
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| zonne | aanvoegende wijs | zonnen |
| zonnend | onvoltooid deelwoord | zonnen |
| zonnende | woordvorm | zonnen |
| zont | aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | zonnen |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van zonnen zijn vastgelegd.