makron
zelfstandig naamwoord /maˈkrɔn/Betekenis
- vanaf de twintigste eeuw ook twee zulke koekjes op elkaar met een zachte vulling ertussen, vaak met opvallende kleuren.
- Tochtgenoten. 2e druk (na 1970) G.F. Callenbach, Nijkerk; ISBN 9026645155; p. 36; geraadpleegd 2014-12-19
- 'parabasis' in: Algemeen letterkundig lexicon (2012) site dbnl.org; geraadpleegd 2014-12-19
Hoe spreek je makron uit?
/maˈkrɔn/
Makron bestaat uit twee lettergrepen. De klemtoon ligt op de tweede.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| m | maan |
| a | maan |
| k | kat |
| r | rood |
| ɔ | bot |
| n | nek |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
zelfstandig naamwoord — masculine
- amandelkoekje, bitterkoekje, suikerbroodje; koekje bereid uit amandelspijs en eiwit, met naar plaats en tijd verschillende bereidingswijzen, rond 1900 in België en Zuid-Nederland vooral een heel klein meelkoekje op papier vastgebakken, vanaf de twintigste eeuw ook twee zulke koekjes op elkaar met een zachte vulling ertussen, vaak met opvallende kleuren.
- slaaf die vanwege een handicap is afgekeurd obsolete
- lange, in één adem uitgesproken zin als specifiek onderdeel van oude klassiek Griekse blijspelen uitgesproken door de koorleider
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| makronnen | meervoud |
| makronnetje | verkleinwoord, enkelvoud |
| makronnetjes | verkleinwoord, meervoud |
| makrons | meervoud |
Herkomst
[1] van het Frans macaron, soort koekje; Thomas Asselijn gebruikt het woord al in zijn toneelstuk "Echtscheiding van Jan Klaasz en Saartje Jans" uit 1685
Woordfamilie van makron
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| makronnen | meervoud | makron |
| makronnetje | verkleinwoord | makron |
| makronnetjes | verkleinwoord meervoud | makron |
| makrons | meervoud | makron |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van makron zijn vastgelegd.