jargon
zelfstandig naamwoord /jɑr.ˈɣɔn/Betekenis
- koeterwaals
- vaktaal, taalgebruik binnen een bepaalde groep, vaak moeilijk te volgen voor een buitenstaander
Hoe spreek je jargon uit?
/jɑrˈxɔn/
Jargon bestaat uit twee lettergrepen. De klemtoon ligt op de tweede.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| j | ja |
| ɑ | bad |
| r | rood |
| x | acht |
| ɔ | bot |
| n | nek |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
zelfstandig naamwoord — neuter
- vaktaal, specifiek taalgebruik binnen een bepaalde groep, vaak moeilijk te volgen voor een buitenstaander
- koeterwaals, onbegrijpelijke taal in het algemeen
- zirkoonsteen gebruikt als versiering
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| jargons | meervoud |
Herkomst
[1,2] Leenwoord uit het Frans, in de betekenis van ‘groepstaal, vaktaal’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1824. Mogelijk van een klanknabootsende wortel *garg- (verwant met o.a. gorgelen)
Woordfamilie van jargon
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| jargons | meervoud | jargon |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van jargon zijn vastgelegd.