ton
zelfstandig naamwoord, werkwoord tɔnBetekenis
- een vat in de vorm van een cilinder
- een tonvormige boei
- een gewichteenheid van 1000 kilogram, gelijk aan een megagram
- een bedrag van 100.000 aan geld, bv 100.000 euro
- een afstand van 100.000 kilometer
- jouw, je (bij mannelijke woorden in het enkelvoud)
- jouw, je (alleen voor een vrouwelijk woord enkelvoud als dat in de uitspraak met een klinker begint)
- toon, geluid met een herkenbare frequentie
- toon, manier waarop iets gezegd wordt zodat het een bepaald gevoel oproept
- toon, tint, kleurschakering van een kleur tussen licht en donker
Hoe spreek je ton uit?
/tɔn/
Ton bestaat uit één lettergreep.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| t | tak |
| ɔ | bot |
| n | nek |
zelfstandig naamwoord — feminine, masculine
- een bedrag van 100.000 aan geld, bijv. 100.000 euro
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| tonnen | meervoud |
| tonnetje | verkleinwoord, enkelvoud |
| tonnetjes | verkleinwoord, meervoud |
Woordvorm
- eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van tonnen
- gebiedende wijs van tonnen
- tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van tonnen
Vervoeging van ton
tonhele werkwoord
Herkomst
Leenwoord uit het middeleeuws Latijn, in de betekenis van ‘vat’ voor het eerst aangetroffen in 1285
Woordfamilie van ton
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| tonnetje | verkleinwoord | ton |
| tonnetjes | verkleinwoord meervoud | ton |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van ton zijn vastgelegd.