noviciaat
zelfstandig naamwoord ˌnovisiˈjatBetekenis
- proeftijd voor nieuwe kloosterlingen, waarin ze al volgens de regels van de betreffende orde leven, maar nog de keus kunnen maken om niet toe treden
- gebouw waar toekomstige kloosterlingen tijdens hun proeftijd verblijven
- proefperiode voor nieuwe leden van een studentenvereniging
Hoe spreek je noviciaat uit?
/ˌnovisiˈjat/
Noviciaat bestaat uit vier lettergrepen. De klemtoon ligt op de vierde.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| n | nek |
| o | boot |
| v | vis |
| i | riet |
| s | sok |
| j | ja |
| a | maan |
| t | tak |
| ˌ | een lichtere nadruk, zwakker dan de hoofdklemtoon |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| noviciaten | meervoud |
Herkomst
Leenwoord uit het Frans, in de betekenis van ‘proeftijd’ voor het eerst aangetroffen in 1776
Woordfamilie van noviciaat
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| noviciaten | meervoud | noviciaat |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van noviciaat zijn vastgelegd.