facturist
zelfstandig naamwoord fɑkty'rɪstBetekenis
- iemand die met het opmaken van de facturen is belast
Hoe spreek je facturist uit?
/fɑktyˈrɪst/
Facturist bestaat uit drie lettergrepen. De klemtoon ligt op de derde.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| f | fiets |
| ɑ | bad |
| k | kat |
| t | tak |
| y | fuut |
| r | rood |
| ɪ | pit |
| s | sok |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| facturisten | meervoud |
Herkomst
afgeleid van factuur met het achtervoegsel -ist
Woordfamilie van facturist
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| facturisten | meervoud | facturist |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van facturist zijn vastgelegd.