Naar de inhoud

factureren

een factuur opmaken van, op een factuur vermelden

factureren

werkwoord

Betekenis

  1. een factuur opmaken van, op een factuur vermelden

Vervoeging van factureren

facturerenhele werkwoord — factureerdeverleden tijd enkelvoud — factureerdenverleden tijd meervoud — gefactureerdvoltooid deelwoord

Persoon Tegenwoordige tijd Verleden tijd
ik factureer factureerde
jij factureert factureerde
hij, zij, het factureert factureerde
wij factureren factureerden
jullie factureren factureerden
zij factureren factureerden
Alle 126 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
Vorm Grammaticale informatie
- impersonal, passief
ben gefactureerd voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
bent gefactureerd voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
er is gefactureerd impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid
er was gefactureerd impersonal, passief, verleden tijd, voltooid
er werd gefactureerd impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid
er wordt gefactureerd impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid
er zal gefactureerd worden impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid
er zal gefactureerd zijn impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid
er zou gefactureerd worden impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid
er zou gefactureerd zijn impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid
ev. gebiedende wijs
factureer gebiedende wijs
factureerde verleden tijd
facturere aanvoegende wijs
facturerend onvoltooid, deelwoord
gefactureerd verleden tijd, deelwoord
gefactureerd te worden infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
gefactureerd te zijn infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
gefactureerd te zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
gefactureerd te zullen worden infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
gefactureerd te zullen zijn infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
gefactureerd worden infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
gefactureerd zijn infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
gefactureerd zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
gefactureerd zullen worden infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
gefactureerd zullen zijn infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
had gefactureerd voltooid, verleden tijd, eerste persoon
had gefactureerd voltooid, verleden tijd, tweede persoon
had gefactureerd voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadden gefactureerd voltooid, verleden tijd, eerste persoon
hadden gefactureerd voltooid, verleden tijd, tweede persoon
hadden gefactureerd voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadt gefactureerd voltooid, verleden tijd, tweede persoon
heb gefactureerd voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben gefactureerd actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
hebben gefactureerd voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben gefactureerd voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
hebben gefactureerd voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
hebt gefactureerd voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft gefactureerd voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft gefactureerd voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
is gefactureerd voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
is gefactureerd voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
te factureren actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te hebben gefactureerd actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te zullen factureren actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
waart gefactureerd voltooid, verleden tijd, tweede persoon
waren gefactureerd voltooid, verleden tijd, eerste persoon
waren gefactureerd voltooid, verleden tijd, tweede persoon
waren gefactureerd voltooid, verleden tijd, derde persoon
was gefactureerd voltooid, verleden tijd, eerste persoon
was gefactureerd voltooid, verleden tijd, tweede persoon
was gefactureerd voltooid, verleden tijd, derde persoon
werd gefactureerd enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, eerste persoon
werd gefactureerd enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon
werd gefactureerd enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon
werden gefactureerd enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, eerste persoon
werden gefactureerd enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, tweede persoon
werden gefactureerd enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon
werdt gefactureerd enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon
word gefactureerd enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
worden gefactureerd enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, eerste persoon
worden gefactureerd enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, tweede persoon
worden gefactureerd enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
wordt gefactureerd enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon
wordt gefactureerd enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zal factureren aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon
zal factureren aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zal factureren aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon
zal gefactureerd hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal gefactureerd hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zal gefactureerd hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zal gefactureerd worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal gefactureerd worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zal gefactureerd zijn voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal gefactureerd zijn voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zijn gefactureerd voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
zijn gefactureerd voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zijn gefactureerd voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
zijt gefactureerd voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zou factureren aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon
zou factureren aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zou factureren aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon
zou gefactureerd hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou gefactureerd hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou gefactureerd hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zou gefactureerd worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou gefactureerd worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zou gefactureerd worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou gefactureerd zijn voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou gefactureerd zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou gefactureerd zijn voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden factureren aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden factureren aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden factureren aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zouden gefactureerd hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden gefactureerd hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden gefactureerd hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden gefactureerd worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden gefactureerd worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden gefactureerd worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden gefactureerd zijn voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden gefactureerd zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden gefactureerd zijn voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zoudt factureren aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zoudt gefactureerd hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt gefactureerd worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt gefactureerd zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zullen factureren actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
zullen factureren aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon
zullen factureren aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon
zullen factureren aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zullen gefactureerd hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zullen gefactureerd hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zullen gefactureerd hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen gefactureerd worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon
zullen gefactureerd worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon
zullen gefactureerd worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen gefactureerd zijn voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zullen gefactureerd zijn voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zullen gefactureerd zijn voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zult factureren aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zult gefactureerd hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zult gefactureerd worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zult gefactureerd zijn voltooid, toekomende tijd, tweede persoon

Herkomst

afgeleid van het Franse facturer (met het achtervoegsel -eren)

Woordfamilie van factureren

Woordvorm Relatie Afgeleid van
factureer gebiedende wijs factureren
factureerde verleden tijd factureren
factureerden aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon factureren
factureert aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon factureren
facturere aanvoegende wijs factureren
facturerend onvoltooid deelwoord factureren
facturerende woordvorm factureren
gefactureerd voltooid deelwoord factureren
gefactureerde woordvorm factureren

Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van factureren zijn vastgelegd.

Afleidingen en samenstellingen

Veelgestelde vragen over factureren

Wat betekent factureren?
Factureren is een werkwoord. Het woord betekent: een factuur opmaken van, op een factuur vermelden.
Hoe vervoeg je factureren?
Je vervoegt factureren als volgt: de tegenwoordige tijd is factureer, de verleden tijd is factureerde en het voltooid deelwoord is gefactureerd. De volledige vervoeging staat in de tabel op deze pagina.

Scrabble punten

Naar spel

Het woord factureren is 23 punten waard met Scrabble, zonder bonusvakjes meegerekend.

  1. F 4
  2. A 1
  3. C 5
  4. T 2
  5. U 4
  6. R 2
  7. E 1
  8. R 2
  9. E 1
  10. N 1
  11. 23 totaal

Wordfeud punten

Naar spel

factureren levert met Wordfeud minimaal 21 en maximaal 93 punten op. Wat het precies wordt, hangt af van de bonusvakjes waarop het woord komt te liggen.

  1. F 4
  2. A 1
  3. C 5
  4. T 2
  5. U 2
  6. R 2
  7. E 1
  8. R 2
  9. E 1
  10. N 1
  11. 21 zonder bonus
  12. 93 met bonus

Het minimum is de som van de stenen, zonder bonusvakje. Het maximum telt de duurste letter (C) op een drieletterbonus mee en het hele woord op een driewoordbonus.

factureren in het kort

factureren staat in dit woordenboek als werkwoord. Van factureren zijn 75 vormen vastgelegd; die staan in de tabel op deze pagina. Verder hoort factureren bij een woordfamilie van 9 woorden, gebaseerd op vastgelegde woordvormrelaties.

factureren: een factuur opmaken van, op een factuur vermelden
Deel factureren — standaardnederlands.nl